Home » Verhalen » Herinneringen uit de Mobilisatie van 1914-1918

Herinneringen uit de Mobilisatie van 1914-1918

Gepubliceerd op 1 november 2021 om 21:44

Naar Sittard Verslag uit de mobilisatietijd

21 december 1915 10 januari 1916

21 December werden we met ons achten overgeplaatst naar Sittard. Ik werd als commandant van het detachement aangewezen en op de bewuste dag marcheerden we naar het station Wylre-Gulpen. Nu moesten we voorgoed het vriendelijke Zuid-Limburgse land verlaten, waar we ons zo prettig thuis voelden. Toen we in Sittard uit de trein stapten, lag de sneeuw reeds dik en nog voortdurend dwarrelden de witte vlokjes omlaag. In hotel “De Zwaan” melde ik het detachement bij de plaatselijke commandant- een vaandrigpresent, en deze stuurde ons naar het stadhuis op de markt om de inkwartieringsbiljetten in ontvangst te nemen. Hier kregen we reeds direct een aardig karwijtje op te knappen. Op een gegeven ogenblik komen enige dronken kerels, zingend en lawaaiend vanuit de Putstraat de markt op slenteren. De commissaris van politie ging ernaartoe om hen tot kalmte aan te manen, maar krijgt plotseling een klap van een van de kerels, zodat hij in de sneeuw rolde. Hierop begint de politiecommissaris te roepen: ‘”Militairen, militairen” Intussen menden zich nog een tweetal andere burgers in ’t geval en namen een dreigende houding tegenover de politie aan. Onze vaandrig, die intussen per fiets was gearriveerd, commandeerde: “Bajonet op! Magazijnen vullen!” en mars er met de looppas naar toe. Een van de kerels was gauw gepakt, doch de ander, die plotseling geheel nuchter was, rende de Putstraat in. Nu begon een sensationele jacht door de stad. De vaandrig en ik waren de anderen al ver vooruit en toen ik de kerel eindelijk op de weg naar Heerlen, even buiten de stad, te pakken kreeg, dreigde hij mij met de vuist. Zonder veel omslag gaf ik hem daaro een stoot met de kolf van mijn geweer en pakte hem bij zijn kraag. Geweldig zoals die vent tegenspartelde. Hierop gaf de vaandrig hem nog een geduchte slag met de klewang, waarop hij ineenzakte. Spoedig kwamen twee marechaussee opdagen, die hem de handboeien aandeden. Met de bedreiging: “Ik zal jullie nog wel krijgen!” aan ons adres, werd hij weggevoerd. Natuurlijk had de wedren door de stad een massa volk op de been gebracht en werd er een hartelijk om gelachen. Zoiets was natuurlijk echt iets voor ons. We werden ingekwartierd in Overhoven, waar ook het mond-en-klauwzeer onder het vee heerste. Met nog drie kameraden kwam ik in kwartier bij Laurenz Gruizen. Goeie mensen; goed eten en drinken, weinig dienst; wat wil je nog meer. Alleen het slapen was de eerste nacht niet al te best. Reeds de eerste nacht vielen we met twee man door het bed. Het bed werd gemaakt, doch de volgende morgen lagen we andermaal op de grond. Toen kregen we eindelijk een degelijker slaapplaats. Dienst hadden we ook hier niet veel. We liepen enge uren patrouille, nu en dan een uurtje schilderen en de overige tijd werd er gedorsen, gekaart of plezier gemaakt. Ook hier werd een meisje, een vriendin van de dochter des huizes, in uniform en het geweer aan de schouder, de straat op gestuurd. Later doopten we haar met de naam “Lampenglaas” omdat z`e zo’n slanke lijn had. Gedurende de tijd, dat we hier verbleven, hadden deze goede mensen zeer veel vriendinnetjes, die altijd weer een reden vonden, om een bezoek af te legen. Nou ja, een soldaat is bij alle meisjes nu eenmaal een aantrekkelijk figuur. ’s Avonds werd er meestal gekaart. Maar ……op uitdrukkelijk verlangen van vader Gruizen werd iedere avond trouw de rozenkrans gebeden. Hier vierden we kerstmis 1915, en gelijk we als trouwe landverdedigers onze plicht deden, deden we dat ook als trouwe katholieken. Daarna volgde Nieuwjaar en ook dit feest vierden we dapper mee volgens het aldaar nog in zwang zijnde oud gebruik. We hebben tot Nieuwjaarsmorgen toe geschoten en daarbij het drinken daarbij natuurlijk niet vergeten, hoor! Op 7 januari 1916 kreeg ik drie dagen verlof, doch reeds de tweede dag werd ik door een telegram naar Sittard teruggeroepen, daar we alweer gingen vertrekken. Toen ik in Sittards aankwam, was de gehele compagnie aldaar reeds verzameld en de volgende dag zouden we afmarcheren naar Neeritter om grenswacht te kloppen. Dus, nu zou ons goed leventje voorgoed afgelopen zijn. Diezelfde avond hadden we in ons kwartier een klein afscheidsfeestje, waarbij alle leden van de familie Gruizen tegenwoordig waren. Met dank aan Wim Rovers die ons dit fragment aanleverde.


«   »